Nieuwe pensioenwetgeving voor middelloonpensioen: nu al overstappen?

Nieuwe pensioenwetgeving voor middelloonpensioen: nu al overstappen?

Het komende pensioenakkoord verbiedt een pensioenregeling gebaseerd op middelloon.

Wellicht is het raadzaam om te laten onderzoeken of het voor zowel de werkgever als voor de medewerkers niet gunstiger is om al voor 2022, dus voordat de wetgeving tot stand is gekomen, over te stappen op een alternatief voor het middelloonpensioen.

Hieronder leest u een mogelijkheid.

Het pensioenakkoord schrijft voor dat vanaf 2026 alle werknemers een gelijk percentage premie gaan ontvangen. Dit zal gaan betekenen dat voor jonge werknemers in het begin een hogere premie wordt betaald dan nu het geval is, waardoor men meer kapitaal in het pensioenpotje zou kunnen aanwenden voor de opbouw, maar dat voor oudere werknemers minder premie in het pensioenkapitaal wordt geïnvesteerd. Hiermee gaan deze ouderen natuurlijk niet akkoord en dus zal flink overlegd moeten worden hoe dit gat gedicht gaat worden. De wetgever schrijft voor dat werknemers die erop achteruitgaan adequaat gecompenseerd moeten worden.

Dit zal gaan betekenen dat de kosten voor de werkgever hoger zullen gaan worden of dat de pensioenkapitalen en dus uiteindelijk ook de pensioenen lager zullen uitvallen. Deze groep medewerkers gaat er op achteruit en hierop zit niemand te wachten.

Werknemers die al een leeftijdsafhankelijke premiestaffel hebben mogen hun pensioentoezegging houden. Voor nieuwe werknemers moet vanaf 2026 wel een voor alle werknemers gelijk percentage gelden.

Leeftijdsafhankelijke premiestaffel

De maximale leeftijdsafhankelijke premiestaffel is erop gebaseerd dat bij een ingerekend rendement een maximaal toegestaan pensioen wordt bereikt: 75% van het gemiddeld verdiende salaris na 40 dienstjaren.

Het verwachte rendement mag zelfs gebaseerd worden op de huidige marktrente (1,5%). Als meer of minder rendement wordt behaald zal het pensioenkapitaal van de medewerker hoger of lager kunnen worden. Het risico ligt dan bij de werknemer.

De premie wordt maandelijks toegevoegd aan het pensioenkapitaal van de medewerker en volgens het life cycle principe belegd. Als de medewerker jong is wordt meer in aandelen belegd en hoe ouder de medewerker is des te minder risico wordt er met de beleggingen genomen. Op de door de werknemer gewenste pensioendatum wordt het pensioenkapitaal omgezet in een levenslang pensioen.

Het pensioen is bij een premieregeling niet gegarandeerd maar dit gaat gelden voor alle pensioenen die vanaf 2026 worden toegezegd. Er zal dus in ieder geval op enig moment moeten worden overgestapt naar een premieregeling.

De huidige premies die werkgevers betalen voor een middelloonpensioen zijn gebaseerd op de (extreem lage) marktrente, dus de premies zijn relatief zeer hoog. Tevens vragen pensioenuitvoerders forse opslagen en wordt in de regel geen “winst” uitgekeerd. Feitelijk belegt de werknemer het pensioen gedurende tientallen jaren in risicovrije rente. Dit geeft beslist zekerheid, maar is feitelijk en financieel technisch een slechte belegging van het pensioengeld. Pensioenbeleggingen kenmerken zich door de zeer lange beleggingshorizon en het verleden geeft aan dat beleggingen in risicovrije rente wel safe waren, maar ook zeer weinig heeft opgeleverd. De kans dat beleggen in een life cycle meer rendement en dus meer pensioen oplevert is logisch. Met dezelfde of zelfs wat minder premie als die in de huidige middelloonregeling wordt betaald kan dus een gelijk/hoger pensioen worden bereikt.

Weliswaar zullen niet alle werknemers erop vooruitgaan bij een leeftijdsafhankelijke premieregeling. De “ouderen” zullen volgens prudente uitgangspunten zeer waarschijnlijk lager uitkomen en de werknemers nemen het beleggingsrisico van hun werkgever over (die bij een middelloonregeling immers het pensioen garandeert) en hiervoor kan een buffer/compensatie voor als het toch tegenvalt worden afgesproken.

Wij hebben meerdere voorbeelden waarbij overstappen van gegarandeerd middelloon naar een leeftijdsafhankelijke premiestaffel voor zowel de werkgever als de medewerkers goed uitpakt. Volgens ons is dit zeker het onderzoeken waard en adviseren wij om de vraag om dit te onderzoeken nu al te stellen en niet tot 2026 te wachten als de pensioenregeling verplicht moet worden aangepast.

Rekenvoorbeeld

Het voordeel om te beleggen geldt vooral jongere werknemers. Zij kunnen meer rendement behalen dan de huidige risicovrije rente die pensioenuitvoerders hanteren voor het bepalen van de hoogte van de premie. Zij hebben dus ten opzichte van het gegarandeerde pensioen wat minder premie nodig om toch goed uit te komen.

Voor oudere werknemers geldt het omgekeerde.

Vandaar een rekenvoorbeeld met 2 werknemers.

Een werknemer van 26 jaar en een van 60 jaar.

Pensioentoezegging is gebaseerd op maximaal middelloon (1,875% pensioenopbouw per dienstjaar en de minimale franchise) en beide werknemers verdienen een modaal jaarsalaris (2020 € 36.500,00).

De premie voor het middelloonpensioen bedraagt: € 12.400,00.

In het rekenvoorbeeld gaan we over naar de staffel die op 2,5% is gebaseerd.

Afgesproken wordt tevens dat in de premieregeling het pensioenresultaat minimaal 110% moet zijn ten opzichte van het huidige gegarandeerde pensioen omdat de werknemer risico gaat lopen dat het ook wat minder kan zijn. Als het geprognotiseerde pensioen lager is wordt een bufferpremie toegezegd, zodat op ten minste 110% van het huidige pensioen wordt bereikt.

De werknemer van 26 jaar ontvangt aan premie € 2.970,00 en bouwt als deze 68 jaar is aan middelloonpensioen nog op: € 30.734,00

En volgens de prudente uitgangspunten (die De Nederlandsche Bank voorschrijft) op de pensioendatum (68 jaar) een pensioen van € 35.372,00

Dit is meer dan 110% van het huidige pensioen. Compensatie is dus niet nodig.

De werknemer van 60 jaar bouwt in de middelloonregeling nog aan pensioen op € 3.619,00

En in de premieregeling: € 2.996,00

Dit is onvoldoende en het verschil wordt gecompenseerd met een extra premie van € 2.517,00

De werkgever betaalt aan premie en compensatie in totaal € 8.830,00

en het verwachte pensioen bedraagt inclusief compensatie € 3.981,00 (110% van € 3.619,00)

In de middelloonregeling is de premie € 12.400,00

en de premie plus compensatie wordt in de nieuwe situatie € 11.800,00

Conclusie van dit rekenvoorbeeld:

* de werkgever gaat niet meer betalen.

* volgens de prudentie uitgangspunten gaan de werknemers erop vooruit.

* er is een buffer voor als de rendementen toch wat tegenvallen.

Voor vragen of opmerkingen, bel of mail met Gerard van der Toolen: gt@pensioen-or.nl of 06 - 55 18 16 15